Met het riviertje de Linge als visstek begon het avontuur. Want wanneer je een viswater nog niet kent, dan is de eerste sessie vaak een hele ontdekkingstocht.

Met het riviertje de Linge als visstek begon het avontuur. Want wanneer je een viswater nog niet kent, dan is de eerste sessie vaak een hele ontdekkingstocht.

Expeditie de Linge: vissen op ‘onbekend’ water

Na een stroeve start werd het uiteindelijk een visrijk festijn!

Tekst & foto’s: redactie Beet

Met het riviertje de Linge als visstek begon het avontuur. Want wanneer je een viswater nog niet kent, dan is de eerste sessie vaak een hele ontdekkingstocht. Zo’n uitdaging wilde Bas Boersma graag aangaan. Op dit deel van de Linge had hij nog niet eerder gevist. In de voorbereiding besloot hij daarom zowel zijn vaste hengel als feederuitrusting mee te nemen. Wat zou de dag hem brengen?

Wellicht sta je na het lezen van dit artikel in de startblokken om ook richting de Linge te rijden, dus eerst enkele huishoudelijke mededelingen. Nagenoeg het gehele water staat in de VISpas, maar check uiteraard de plaatselijke situatie. De stek van vandaag ligt nabij Heukelum. Hier is de Linge breed, meer dan 50 meter, en ligt tussen twee grote dijken. Hoe oostelijker je komt, des te smaller het water wordt en ook de dijken zijn dan afwezig. Tot slot is aan het water raken niet vanzelfsprekend wanneer je met de auto komt. Je kunt de Linge kilometers lang al slingerend vanuit de auto over de smalle dijk volgen, grofweg het deel tussen Gorinchem en Geldermalsen, en je zult merken dat je op weinig plekken de auto kwijt kunt, dus vooraf zoeken scheelt een hoop werk.

Prachtig viswater.

OBSERVEREN

Bas heeft het plan opgevat om zowel met de vaste hengel als met de feederhengel aan de slag te gaan. Witvissers staan er om bekend zich vooral te focussen op één techniek, commercials uitgezonderd, om zo het optimale er uit te halen. “Bestaat er niet een gevaar dat twee technieken niet teveel is, dat je beide niet optimaal kunt inzetten? Hoe voorkom je dat?”

“Meerdere technieken gebruiken kan een voordeel zijn, maar ook een nadeel. Je hebt meerdere opties om de (grotere) vis te vinden. Het is niet standaard zo dat je met de feeder de grotere vissen vangt, alhoewel je daar wel vaak op inzet. Als het gaat om aantallen kleinere vis ben je met de vaste hengel simpelweg veel sneller dan met de feeder.

Vaak ga je tijdens een wedstrijd met de feeder echt op zoek naar de grotere vissen. Hierbij is het aan te nemen dat deze niet meteen op je stek komen. Bij aanvang van het vissen breng je wat korven met voer en aas en deze stek laat je eerst even rusten. Je begint de wedstrijd dan met de vaste hengel. Na een uurtje ga je op de feederstek kijken of er al vis aanwezig is wanneer je met de vaste hengel alleen nog maar kleinere vis vangt. Let ook goed op je omgeving! Zie je dat de vissers in jouw buurt al wel met de feeder de dikkere vissen vangen, dan kun je gerust eerder kijken of ze ook bij jou zijn. Zolang je geen indicatie hebt dat er op je feederstek vis te vangen is, besteed hier dan ook niet teveel tijd aan. Zorg wel dat je af en toe een korfje met aas brengt om eventuele vis op de plek te krijgen of te houden.

Het grootste gevaar schuilt hem in teveel plekken willen bevissen. De sleutel tot succes is meestal ritme en regelmaat in de wijze waarop je voer/aas brengt. Wanneer je drie of meer plekken moet onderhouden wordt dit een hele opgave. Daar zit dus het nadeel van de mogelijkheid tot gebruik van meerdere technieken.”

MATERIAAL VASTE HENGEL

Vaste hengel: Trabucco GNT-X Canal Competition

Topset 1: 10/00 bovenlijn, 08/00 onderlijn, dobber 0,6 gram, haak 20, bulklood met 2 valloodjes.

Topset 2: 10/00 bovenlijn, 08/00 onderlijn, dobber 0,8 gram, haak 18, bulklood met 2 valloodjes.

Topset 3: 12/00 bovenlijn, 10/00 onderlijn, dobber 1,50 gram, haak 16, bulklood met 2 valloodjes.

Topset 4: 12/00 bovenlijn, 12/00 onderlijn, dobber 2,0 gram, haak 12, bulklood met 1 valloodje.

Statisch, driftende, staande haak of met een sleepje: keuze genoeg!

Ondertussen neemt Bas de tijd om zijn spullen op te bouwen. “Niets is zo irritant om tijdens het vissen telkens je kist af te moeten om iets te pakken”, dus wordt de stellage zorgvuldig neergezet. Het biedt Bas ook de kans om te zien wat er om je heen gebeurt. “Met welke omstandigheden krijg je te maken, daarmee doel ik in dit geval op aspecten waar je geen invloed op hebt, zaken buiten het vissen om zoals scheepvaart op het water. Hoeveel boten passeren er, op welke afstand en hoe groot zijn ze?, om maar een voorbeeld te noemen.”

Op de Linge zwemt een heel gevarieerd bestand vis, met af en toe ook een ouderwets mooie ruisvoorn er tussendoor.

PEILEN

De stellage staat en de meeste hengels liggen gereed. In het gras liggen een aantal zakken nieuwe voertjes van Eurofish, maar ook onder andere leem en aarde. Tijd om het voer te bereiden, denk ik. Maar toch is de volgende stap het uitpeilen, aftasten van de stek met zowel de vaste hengel als de feeder. Bas legt uit dat hij meer informatie nodig heeft om te bepalen wat voor soort voer hij gaat gebruiken, maar ook voor de dobberkeuze. Aspecten als diepte, stroming, bodemverloop spelen allemaal een rol. Bas haalt de feeder uit het foedraal en monteert een 30 grams speedkorf. Hij slingert deze richting de overkant en begint met ‘voelen’.

“Hoe tast je middels de feedertop de bodem af en hoe vertaal je wat je voelt naar hoe de bodemsituatie is?”

“Het is een erg omstreden begrip, peilen met de feeder. Je kunt natuurlijk nooit zo accuraat peilen als met de vaste hengel, maar je kunt zeker wel een goed beeld krijgen van de bodemstructuur. Heel belangrijk is het vinden van een schone plek. Bij voorkeur neem ik een wartelloodje of een open speedkorf om de bodem af te tasten. Het gewicht van je ‘peillood’ moet passen bij de omstandigheden, maar in de regel heb je met een lichtere korf meer gevoel. Afhankelijk van de verwachtingen ga ik op zoek naar de juiste diepte om te vissen. Is het koud, dan zoek ik eerder naar een diep punt, is het warm dan misschien juist strak tegen de overkant op ondieper water. De hotspots blijven wel de plekken waar er een richel of kuil te vinden is of onder tegen een talud aan. Dat zijn toch de natuurlijke plaatsen waar de vis zich graag bevindt. Wanneer ik een plek heb gevonden waar ik zou willen vissen, dan werp ik een paar keer over de plek en sleep ik voorzichtig de korf over de bodem. Hierbij houd ik de hengel in de lucht en voel hoe de korf over de bodem glijdt. Vaak voel je al genoeg, maar het kan zeker nuttig zijn om ook naar je feedertop te kijken of die reageert op wat je voelt. Zo voel je de eventuele kuiltjes en richeltjes en of de bodem schoon is. Heb je eenmaal de juiste plek gevonden, dan zet je de lijn vast achter de lijnclip, zodat je elke keer netjes op dezelfde afstand werpt.”

Voelen met de feederhengel. Een goede indicator voor een schone bodem is ook of er rommel aan je korf hangt na het binnen draaien: dit wil je niet zien.
Troep wil je niet zien.

“Welke stappen doorloop je bij het peilen?”

“Vaak weet je uit ervaring wat de meest voorkomende afstanden zijn waarop je de feeder het beste kan inzetten. Op onbekend water, zoals hier, is de uitdaging wat groter, dan probeer ik zoveel mogelijk het stuk water voor me in kaart te brengen. Ik begin tegen de overkant en zet de lijn achter de lijnclip. Indraaien, opnieuw werpen en dan tel ik het aantal seconden voordat de korf op de grond ligt nadat de korf het water raakt. Vervolgens draai ik een tweetal slagen in, en werp en tel opnieuw. En zo ga ik door tot ik op de minimale visafstand ben gekomen. Je kunt tellen vanaf 1, sommigen vinden het preciezer om te tellen vanaf 21 en weer anderen gebruiken een stopwatch. Het allerbelangrijkste is dat je steeds hetzelfde doet. Kun je op deze wijze precies weten hoe diep het is? Nee, dat lukt niet, maar je kunt je ook afvragen of dit heel belangrijk is. Als je er rekening mee houdt dat een korf van 40 gram ongeveer een halve meter per seconde zakt heb je een idee van de diepte. Maar of het nou 2,90 meter of 3,30 meter is maakt mijns inziens niet heel veel uit. Het gaat om het vinden van de geulen, kuilen en richels op de diepere of ondiepere plaatsen en dat kun je zeker goed voelen en waarnemen.”

DOBBERKEUZE

Vandaag selecteert Bas voor de feederhengel een stek op 31 meter vissen. Deze plek ligt een paar meter van het talud aan de overkant. Het is een plaats waarvan hij verwacht dat de vis er zal zijn. Soms zie je ook nog wel eens dat er visbewegingen in het water waar te nemen zijn op een bepaalde lijn, zo ook deze ochtend. “Om de afstand niet kwijt te raken is het raadzaam om te weten op hoeveel meter je vist, door bijvoorbeeld de molenslagen te tellen of zogenaamde distance banksticks te gebruiken. Wat ik belangrijk vind wanneer ik met zowel de vaste hengel als de feeder vis, is dat ik een plek kies waarbij ik voorkom dat de feederplek de vaste hengel plek verstoort. Als je steeds met je korf over je vaste hengel plek komt, dan geeft dat veel onrust op die plaats.”

Bas laat een lege korf zonder onderlijn op de beoogde visstek liggen om te kijken wat de stroming doet op de lijn. Het geeft ook informatie over welke feedervoer hij klaar moet maken. Ondertussen neemt hij de vaste hengel in de hand om een stekje te zoeken.

VOERKEUZE

Bas: Vandaag start ik met een één-op-één mengeling van grond en lichte leem, wat ik meng met een gelijke hoeveelheid lokvoer. Kortom, 1 deel lokvoer en 1 deel grond-leem mix, mijn voer wordt dus 50% verschraalt. Stroming is er nauwelijks en ik wil starten met een redelijk schraal voer, omdat ik niet weet wat ik kan verwachten. Omdat ik ook niet duidelijk heb welke vissoorten ik ga vangen, gebruik ik een gelijke mengeling van brasem- en voornvoer en creëer zo een allround voertje. Ik maak de voertjes apart aan om eventueel wat achter de hand te hebben, mocht ik willen overschakelen op uitsluitend een visserij op kleinere vis of op brasem. Ook heb ik altijd een hoeveelheid grond/leem apart om eventueel aas zonder voer te kunnen brengen.

Een 50:50 mix van deze nieuwe Eurofish voertjes.
Verschralen en verzwaren met leem en aarde.
In eerste instantie aftasten en een bescheiden hoeveelheid los aas.
De basis van het feedervoer.

“Bepalen van stroming, waarom is dat belangrijk?”

“Na het peilen zet ik de dobber in en kijk of deze stil blijft staan of door de stroming wordt meegenomen. Aan de hand van de stroming bepaal ik mijn dobberkeuze. Ik leg verschillende topsets klaar voor verschillende technieken, zoals lichtere dobbers om mee te kunnen driften, wat zwaardere dobbers om licht blokkend te kunnen vissen en nog zwaardere dobbers om het aas geheel stil aan te kunnen bieden. Vandaag blijkt met een 0,8 grams dobber een redelijk stabiele drift mogelijk dus dat is mijn uitgangspositie. Ik weet niet wat ik qua vis kan verwachten en dan begin ik driftend te vissen om in ieder geval een zo natuurlijk mogelijke aasaanbieding te kunnen bewerkstelligen. Afhankelijk van hoe de aanbeten verlopen of welke soort vis ik vang, pas ik mijn dobberkeuze of loodzetting aan de omstandigheden aan.”

Als eerste voert Bas de feederplek aan met drie korven voer, gevuld met pinken, casters en fijn geknipte wormen. Deze laat hij even rusten om vervolgens vier balletjes voer netjes op de vaste hengel plaats te cuppen op 11,5 meter afstand. In dit voer zit een kleine hoeveelheid dode pinken, verse gekookte hennep en wat casters. Onbekend water, dus secuur beginnen. Bas begint met de vaste hengel. Al na enkele minuten wordt het duidelijk dat er echt wel vis op de plek aanwezig is, maar de aanbeten komen zeer voorzichtig door. Na vijf minuten komt de eerste vis, een brasempje van circa 300 gram. Daarna volgt een moeizame periode; de beten zijn zeer subtiel of zetten niet door.

Door de laatste bal van hoogte te laten vallen, breekt deze uiteen en lokt sneller kleine vis aan.
Bas begint met de vaste hengel.

HET GAAT LOS

Na ongeveer drie kwartier merkt Bas dat de beten wat minder worden en cupt hij bij. Al snel komen de beten weer terug, maar de aanbeten blijven voorzichtig. Er knalt ook een roofvis door de voerplek en kleine vis vliegt alle kanten op. “Ik denk dat de vis wel wil azen, maar niet gretig is. Ik schakel daarom over naar mijn lichtste topset met een 0,6 grams dobbertje”. Na een subtiele aanbeet is het nu wel raak, maar in plaats van de verwachte kleine vis knalt het dunne elastiek ver uit de hengeltop. “Hoe lang heb je? Dit gaat wel even duren, als ik deze ga vangen.” Na zeker vijf minuten drillen doorbreekt uiteindelijk een grote brasem het wateroppervlak, binnen!

Als het na deze vis weer een tijdje stil blijft, probeert Bas het met de feederhengel. Al vrij snel komt een overtuigende beet en is een prachtige voorn de klos. Deze wordt gevolgd door een kleine brasem, maar daarna blijft het ook stil, behoudens twee grondels. Ondertussen ziet Bas dat er steeds meer aasbellen op zijn vaste hengel voerstek verschijnen en als er nog eens diverse brasems precies op deze plek rollen besluit hij weer de overstap naar de vaste hengel te maken.

Ook de eerste vis op de feeder is een feit.
Een mooi formaat voorn; ze zwemmer er nog veel groter!

In plaats van de lichte topset grijpt hij via een 0,8 grammer naar een 1,5 grams dobber om het aas stabieler te kunnen presenteren. Hij vermoedt dat er met name brasem te vangen is en dat je ook met een sleepje over de bodem, in plaats van een staande haak, meer beet gaat krijgen. Er komen steeds meer beten en het is duidelijk dat er veel vis op de plek ligt. “De vissen worden alleen maar groter en omdat het brasems betreft, ga ik nu ook wat wormen knippen en door het voer mengen.” Dit brengt nog meer grote vissen in het net, maar met die dikkere vissen weet je ook dat wat je in het water brengt heel snel weg is. De dikke platten blijven maar komen.

Het is duidelijk dat er veel vis op de stek ligt.
De dikke platten blijven komen…
…en ze zitten allemaal voor in het bekje gehaakt!

HET ONBEKENDE

Nog even terugkomen op het voeren en de mix. De diepte en stroming zijn duidelijk, maar wat wordt de uitgangsbasis wat betreft voer, als je niet weet wat je kunt verwachten wat betreft vis? Als Bas op een onbekend water vist, dan is zijn voersamenstelling afhankelijk van factoren als stroming en diepte. Zijn stelregel is ‘wat je erin gooit, kun je er niet meer uithalen’. Bijvoeren kan altijd, dus start bescheiden. Hetzelfde geldt voor het aas wat je door je voer doet. Als je niet weet wat je kunt verwachten, breng dan niet teveel om te voorkomen dat je de vis teveel verzadigd. Om wel volume te kunnen voeren, maar de buiken niet te verzadigen wordt veelal leem en aarde toegepast. “Op dieper water en/of waar stroming staat/kan komen, gebruik ik graag leem om mijn voer goed naar de boden te krijgen en dat het ook redelijk op de plek blijft liggen. Tevens is het gebruik van leem ook handig om je ballen voer te ‘verschralen’. Leem is er in verschillende soorten. Je hebt grond, lichte leem, zware leem en grijze leem. Stroomt het hard of is het water erg diep, gebruik dan zware leem. De grijze leem is vooral om je ballen goed te laten plakken zodat ze niet te snel uit elkaar vallen. Grijze leem wordt ook gebruikt als je aas in alleen leem wilt brengen zonder lokvoer.”

AANPASSEN

Vol van vertrouwen stapt Bas over naar een puur brasemvoer, dus niet verschraald met aarde/leem, en mengt veel meer casters, dode maden en geknipte wormen erdoor. Een andere aanpassing is dat Bas de ballen voer niet meer cupt, maar met de hand op de stek werpt. Dit gaat velen malen sneller. In eerste instantie vier grote ballen vol met aas en vervolgens na elke aanbeet of gevangen vis een balletje voer vol aas.

Ballen werpen in plaats van cuppen.
En de ballen zijn nu rijkelijk doorspek met los aas!

Dit blijkt een goede zet, want daarna staat de dobber helemaal niet meer stil. “Ik had het aan het begin niet verwacht, want de start was erg moeizaam, maar nu is het feest.” De ene dikke platte na de andere verdwijnt in het schepnet. Tussendoor vangt Bas nog een prachtige gouden ruisvoorn, maar het is bovenal brasem wat de stek domineert. Met zoveel vis op deze plek laat Bas de feederhengel op het droge. Het deert hem weinig, want op deze wijze heeft hij een meer dan geweldige visdag gehad.

Wat een prachtige, visrijke dag!